mioceen

onzijdig (het)/ˌmijoˈsen/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. geologie (geologie) geologisch tijdperk waarin de grassen zich over de hele wereld verspreiden, eerste tijdvak van de periode neogeen, van 23 tot 5 miljoen jaar geleden
    Van het mioceen naar het pleistoceen is in het museum maar twee stappen.

Etymologie

*van "Miocene", naam voorgesteld in 1833 door de Britse geoloog C. Lyell; afgeleid van μείων (meíoon) "minder" en καινός (kainós) "nieuw", dus: "minder nieuw (leven)", omdat maar een minderheid van de fossielen uit die periode van tegenwoordige soorten afkomstig is;[https://books.google.nl/books?id=YngeAQAAIAAJ&lpg=RA1-PA92&ots=FhOhXRq5C4&dq=%22On%20the%20Silurian%20and%20Cambrian%20Systems%2C%20Exhibiting%20the%20Order%20in%20which%20the%20Older%20Sedimentary%20Strata%20Succeed%20each%20other%20in%20England%20and%20Wales%22&hl=nl&pg=RA2-PA48#v=onepage&q=paleocene&f=false "The Geologic Time Classification of the United States Geological Survey Compared with Other Classifications" (1925) US Department of the Interior, Washington]; pp. 50, 52; geraadpleegd 2016-02-04

Vertalingen

EngelsMiocene, Miocène
SpaansMioceno