minachting

vrouwelijk (de)/ˈmɪnɑxtɪŋ/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. het minderwaardig vinden, het geen gunstige mening hebben over
    Hun gesprek in zijn ontvangkamer was een afgezwakt voorproefje van wat hen te wachten stond, een blijk van zijn minachting voor vrouwen.
    Het kwam erop neer dat hij op zijn klasgenoten neerkeek - omdat ze zichzelf geen slagers maar middenstanders noemden, omdat ze hun dieren niet op kwaliteit maar op winstgevendheid selecteerden - en ze die minachting aanvoelden.
    Hij liet zijn minachting maar al te duidelijk blijken.

Etymologie

* van minachten

Vertalingen

Engelscontempt
Fransmépris
DuitsVerachtung
Spaansdesprecio, menosprecio
Italiaansdisprezzo
Russischпрезрение
Japans軽蔑
Poolspogarda, lekceważenie
Zweedsförakt
Deensforagt