meubelzaak

mannelijk/vrouwelijk (de)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een winkel waar men meubels verkoopt
    In een meubelzaak aan de Rozengracht deed ik haar die middag de moderne uitschuiftafel cadeau waar ze al eerder haar oog op had laten vallen.
    Des Bouvrie werd in 1942 geboren in Naarden, waar hij in de jaren 90 interieur-designcentrum en restaurant Het Arsenaal vestigde, in een monumentaal militair pand uit de 17e eeuw. Hij groeide op als enig kind van ouders die een meubelzaak hadden in Bussum. Na een opleiding aan de Rietveld Academie begon hij voor zichzelf als meubelmaker.