metten

meervoud/xxxx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. religie (religie) vroege (eerste) ochtendgebed in kloosters van de rooms-katholieke kerk
    De metten beginnen tussen 3.45 en 6.15 uur 's morgens.

Etymologie

*, via Middelnederlands "mettene" / "mettine" van middeleeuws Latijn "mattinae", in de betekenis van ‘eerste deel van dagelijks breviergebed’ voor het eerst aangetroffen in 1236

Uitdrukkingen

  • Korte metten maken [met]Bruusk, kordaat een eind aan iets maken