metriek
vrouwelijk (de)/meˈtrik/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (letterkunde) leer van de versbouw
- (letterkunde) maatsoort waarin een vers geschreven is
- (muziek) leer van de maatsoorten
- (wiskunde) een functie die de afstand tussen elk tweetal elementen van een verzameling definieert
Etymologie
*afgeleid van metrum
Vertalingen
Engelsmetric
Spaansmétrica, métrica
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek