metriek

vrouwelijk (de)/meˈtrik/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. letterkunde (letterkunde) leer van de versbouw
  2. letterkunde (letterkunde) maatsoort waarin een vers geschreven is
  3. muziek (muziek) leer van de maatsoorten
  4. wiskunde (wiskunde) een functie die de afstand tussen elk tweetal elementen van een verzameling definieert

Etymologie

*afgeleid van metrum

Vertalingen

Engelsmetric
Spaansmétrica, métrica