metafoor

mannelijk/vrouwelijk (de)/ˌmetaˈfor/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. taalkunde (taalkunde) beeldspraak waarbij men een woord B zegt in plaats van het woord A terwijl er tussen A en B een verband is van gelijkenis
    Die overdreven voorliefde voor het gezag had ze van haar vader, adjunct van het plaatsvervangend afdelingshoofd bij het ministerie van Posterijen, die de hiërarchie binnen zijn ministerie zag als een metafoor voor het universum. {{Aut|Lemaitre, Pierre
    In Tain l'Hermitage wordt elk jaar zo'n file nagebootst met klassieke voertuigen. Vaak dragen chauffeurs en passagiers kleding uit de jaren vijftig en zestig, terwijl ze begeleid worden door gendarmes in originele uniformen, op klassieke motorfietsen. Van levensader tot nostalgisch themapark, een zwartkijker zou in de Nationale 7 een metafoor voor Frankrijk kunnen zien.

Etymologie

* Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘overdrachtelijke uitdrukking’ voor het eerst aangetroffen in 1786

Vertalingen

Engelsmetaphor
Fransmétaphore
DuitsMetapher
Spaansmetáfora
Italiaansmetafora
Portugeesmetáfora
Russischmетафора
Chinees隐喻
Japansメタファー
Turksmecaz
Poolsmetafora
Zweedsmetafor
Deensmetafor