met

onzijdig (het)/mɛt/

Betekenis

voorzetsel
  1. en daarbij
    's Ochtends eten we brood met beleg.
  2. in gezelschap van
    Ik ga met hem mee.
  3. als partner hebbende
    Morgen zal ik er met m'n manager over spreken.
  4. als gevoel hebbende
    Hij bekeek de pentekening met interesse.
  5. na, als gevolg van
    Het wordt er met de tijd niet beter op.
    Met Karels vertrek raken we een waardevolle collega kwijt.
  6. gelijktijdig met, tijdens
    Met de schoolvakantie is het rustig in de stad.
  7. ter gelegenheid van
    We zijn met mijn verjaardag naar de Keukenhof geweest.
  8. gebruik makend van, door middel van, met behulp van
    Met dit mes werd de moord gepleegd.
    Ik reis morgen met de trein naar Purmerend.
zelfstandig naamwoord
  1. verouderd (verouderd) voedsel dat halverwege de dag wordt gegeten
  2. voeding (voeding) stukjes die overblijven bij het snijden van grotere stukken varkensvlees

Etymologie

*[B] van Middelnederlands """ / "meet" / "mette", dat teruggaat op *mati voedsel, vgl. : "meat"

Uitdrukkingen

  • af te rekenen hebben met
  • gaan met die banaan
  • geen weg weten met
  • huilen met de pet op
  • met de voeten spelen
  • met de voeten treden
  • met horten en stoten
  • met twee maten meten

Vertalingen

Engelswith
Fransavec
Duitsmit
Spaanscon
Italiaanscon
Portugeescom
Russischс
Chinees
Japansを伴って, 付きの
Koreaans
Arabischب
Poolsz
Zweedsmed
Deensmed