mestvaalt

mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈmɛstfalt/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. landbouw (landbouw) platte hoop waar men dierenpoep en andere organisch afval van de boerderij verzamelt
    Het aantal insecten was al dramatisch gedaald door het verbod op een open mestvaalt, door de toegenomen chemische insectenverdelging in de koeienstal en door het verharden van boerenerven.
    Achter een heg liggen de mestvaalt, de mutsert (de bundels takkenbossen voor het bakhuis) en de bliksemkuil, waarin water werd opgevangen mocht er brand uitbreken. De daken van de boerderijen waren meestal van stro.
    Welwater kon van behoorlijke kwaliteit zijn, maar was meestal vervuild door gier uit mestvaalten of huishoudelijk afval.
  2. iets waar het niet prettig is zoals op een vuilnisbelt, iets waar een luchtje aan zit
    Het valt niet mee een wielerkoers te becommentariëren na de bittere winter waarin ijskonijn Armstrong terug in zijn holletje werd gedirigeerd. Na hem werd de een na de ander gedwongen in zijn ranzige spiegel te kijken. Wat te verdragen is als vermoeden, wordt ondraaglijk als de waarheid naakt op de keien ligt: het peloton als farmaceutische mestvaalt.

Etymologie

*van Middelnederlands "mesvaelde", op te vatten als

Uitdrukkingen

  • op de mestvaalt van de geschiedenis belanden

Vertalingen

Engelsdungheap, dunghill
DuitsMisthaufen
Spaansestercolero