mest
mannelijk (de)/mɛst/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- uitwerpselen van sommige dieren waarmee men land vruchtbaar maakt
Etymologie
*van Middelnederlands """ / "mesc" / "mes", in de betekenis van ‘uitwerpselen’ aangetroffen vanaf 1240 Verwante vormen zijn "mist", "mist" ( "Mist"), "𐌼𐌰𐌹𐌷𐍃𐍄𐌿𐍃" (maihstus) ‘mest’, die alle teruggaan op Proto-Germaans *mihstu-. Deze formatie is afgeleid van het werkwoord *meigan "urineren" (vgl. verouderde Nederlands mijgen, miegen), uiteindelijk terug te voeren op Proto-Indoeuropees ¤H3meiǵh- "urineren"
Vertalingen
Engelsmanure, dung, fertilizer
Fransfumier, bouse
DuitsMist, Dünger
Spaansestiercol, abono
Russischудобрение
Turksgübre
Deensgødning, møg
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek