merken

/ˈmɛrkə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. inerg (inerg) iets waarnemen of herkennen, gewaarworden
    Je kon merken dat de man het moeilijk had na het overlijden van zijn zoon.
    Zelfs het hoogteverschil kon ik duidelijk aan mijn ademhaling merken.
    Aan de bar in een klein dorpje vertelde de barman me een bijzonder verhaal over ene Seth Orme – trailname Cap – een 26-jarige jongen uit North-Carolina, die iets voor me op de trail liep. Hij had tijdens zijn vele hikes in de National Parks gemerkt hoe veel afval en wc-papier daar werd weggegooid.
  2. ov (ov) een merk aanbrengen op, markeren

Etymologie

*afgeleid van merk ??

Vertalingen

Engelsrecognise, notice, perceive
Spaansadvertir, apercibirse, notar