mentor

mannelijk (de)/ˈmɛntɔr/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. onderwijs, beroep (onderwijs) (beroep) begeleider van leerlingen of studenten
  2. gids, adviseur, leidsman, raadgever, raadsman
    Heel veel dank aan mijn mentor René Boender. Hij geloofde in mij, motiveerde me groot te denken.
    Sverre was Haralds mentor waar het stijl en lichaamscultuur betrof.

Etymologie

*afgeleid van het Griekse Méntōr ()

Vertalingen

Engelscounsellor
Spaansconsejero, mentor