menora

mannelijk/vrouwelijk (de)/mənˈora/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. kandelaar met zeven armen (een van de symbolen van Israël; [https://www.statenvertaling.net/bijbel/exod/25.html Ex. 25:31-40])
    Het werd eigenlijk pas een oorlog toen Vespasianus en Titus, inmiddels keizer en keizerszoon, wilden terugkeren naar Rome. (…) Zij zeggen: kijk naar de oorlogsbuit die we meebrengen uit veroverd gebied! Ze doelen op pronkstukken uit de tempel, zoals de menora (zevenarmige kandelaar), waarmee de bouw van het Colosseum is gefinancierd.
  2. kandelaar voor de viering van Chanoeka, met acht armen plus een extra arm, sjamasj, voor het licht waarmee de andere worden aangestoken
    Voor het stadhuis van Maastricht wordt deze maandagavond de grootste menora ter wereld ontstoken, een twaalf meter hoge kandelaar ter ere van Chanoeka.

Etymologie

*van (menorah), in de betekenis van ‘liturgische kandelaar’ voor het eerst aangetroffen in 1929

Vertalingen

Engelsmenorah