Mekkeren
/ˈmɛkərə(n)/
Betekenis
werkwoord
- (inerg) (dierengeluid) het geluid van een geit makenAls ik de geiten in de wei hoor mekkeren weet ik dat ik dichtbij huis ben.
- iemand zingend in slaap wiegenZijn moeder moest hem altijd rustig mekkeren, anders bleef hij de hele nacht wakker.
- (inerg) (spottend) zaniken, zeurenZit toch niet zo te mekkeren en eet je eten op!
Etymologie
*(freqtt) van "mekken" , (klanknabootsing) van het geluid dat een geit maakt, in de betekenis van ‘het natuurlijke geluid van geiten maken’ voor het eerst aangetroffen in 1783
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek