meid
vrouwelijk (de)/mɛi̯t/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (informeel) jonge vrouwDie meiden hadden weer eens een hoop lol.Ze hoopt bijna dat ze de ramen naar boven schuiven en haar roepen, dat ze naar buiten stormen, dat ze smekend op hun knieën vallen en haar hun excuses aanbieden, het spijt ons zo, lieve kleine meid van ons: we zullen je nooit meer tot zulke dingen dwingen.
- (verouderd) werkster, dienstmeisjeHet is alsof de meid over haar dode meesteres wil praten of zelfs over haar wil roddelen, maar dat van niemand mag.De meid is zichtbaar onder de indruk: er ligt geen stof, de ramen zijn schoon en het ruikt er naar citroen en rozenwater.
Etymologie
*van Middelnederlands "meit", door palatalisering van de -g- ontstaan uit "meget" /"maget" "maagd", in de betekenis van ‘jong meisje’ voor het eerst aangetroffen in 1488
Vertalingen
Engelsgirl, lass, maid
Fransjeune femme, meuf, nana
Spaansmuchacha, criada
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek