meeting
mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈmiːtɪŋ/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- een bijeenkomstEr was een meeting gepland om te praten over de fusie.
Etymologie
* Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘bijeenkomst’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1869
Vertalingen
Engelsmeeting
Fransmeeting, réunion
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek