meesterkok

mannelijk (de)/ˈmestərˌkɔk/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. persoon (persoon) persoon die erg goed kan koken
    Haar man werd na zijn pensioen een meesterkok.

Etymologie

* , geschreven zonder koppelteken omdat "meester" alleen als versterking van "kok" bedoeld is, niet als voorbepaling bij de functie "kok" zoals bedoeld in