meervoudigheid

vrouwelijk (de)/merˈvɑudəxˌhɛit/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. het bestaan uit meerdere elementen; de mate waarin iets of iemand uit meerdere elementen bestaat
    De hypothese komt voort uit een rigide samengestelde canon; met andere woorden, er is geen aandacht voor de meervoudigheid van collectief herinneren.
    Het Ene zou geen opdeling, meervoudigheid of onderscheid bevatten -een goddelijke, onbegrensde oneindigheid dus.

Etymologie

* afleiding van meervoudig