meenemen

/ˈmenemə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) bij het vertrek meevoeren naar een nieuwe plaats
    Hij nam zijn hond mee op reis.
    Ik legde de lege cahiers die ik had meegenomen links op een stapel, met mijn vulpen ernaast.
    Wout Poels, meesterknecht voor Team Ineos, grapt dat hij maar beter zijn gravelbike kan meenemen. ‘We moeten er maar mee dealen. Dit is het parcours.’
  2. ov (ov) aanvullend in beschouwing nemen
    Wij zullen uw opmerkingen nog meenemen.

Uitdrukkingen

  • Dat is mooi meegenomenDat is een fijne bijkomstigheid

Vertalingen

Engelstakeaway, to go
Fransemmener, emporter
Duitsmitnehmen