mazout

mannelijk (de)/maˈzut/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. aardolie gebruikt voor verwarming of in dieselmotoren
    Gisteren ben ik overgegaan tot aanschaf van nen mazoutstoof (een oliekachel) + bij behoren waaronder 1 tank die 13.000 liter mazout (olie) kan bevatten.
    Hij dacht, twee keer vlug achter elkaar op de starter duwen. Hij had het stilaan geleerd. Bijna dadelijk voelde hij de hitte over zijn benen strijken en bereikte hem de stinkende walm van hete mazout. Hij zag Knots een ogenblik naar hem kijken. Jij gele schreeuwlelijk, dacht Andreas, ik zal het je nooit verklappen. Hij schakelde de versnelling in en de bulldozer klom knarsend, klevend en kwijlend in het slijkerig spoor van de kettingen de helling op.
  2. scheikunde (scheikunde) (het deel van) aardolie met langere koolstofketens, dat minder goed verdampt
    Mazout noemt men de overblijfselen van de ruwe petroleum na de distillatie.
  3. drinken (drinken) drank bestaand uit bier met cola
    Giet bier in een glas tot het glas voor drie vierde gevuld is. Vul het andere kwart aan met cola. EEn {{sic!|Een
    We zaten in de zon op de warme stenen van haar terras, en the real stuff durfden we nog niet aan, dus maakten we een mengsel van cola en bier dat je ook op café kon krijgen door naar ‘een mazout’ te vragen. Wie mazout in plaats van een pint bestelde, werd minder snel ijl in het hoofd, al voelde ik me na één glas al duizelen en nam ik mezelf voor om nooit dronken te worden.

Etymologie

*[3] omdat de kleur van de drank aan stookolie doet denken