mazelen
meervoud/ˈmazələ(n)/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (medisch) kinderziekte veroorzaakt door een morbillivirus en gekenmerkt door rode stipjes op de huid{{pDe mazelen hebben een populatie met een flinke bevolkingsdichtheid nodig om zich goed te kunnen verspreiden.De mazelen hebben hun intrede in onze gemeente gedaan.
werkwoord
- (erga) mazelen hebben
Etymologie
*(erfwoord): Middelnederlands "masels", mervoudsvorm van māsel (f) ‘zweer of vlek op de huid’, ontwikkeld uit Oergermaans *mēslō- ‘huiduitslag’, verkleinwoord bij *mēsōn-, waaruit Middelnederlands māse (f) ‘vlek, smet’; verdere herkomst onbekend. Evenals Nederduits Masseln, Messels, Duits Masern en Fries hûnemiezel ‘omloop, zweer aan vinger rondom nagelwortel’.
Uitdrukkingen
- gepokt en gemazeld in
Vertalingen
Engelsmeasles
Fransrougeole
DuitsMasern
Spaanssarampión
Italiaansmorbillo
Russischкорь
Turkskızamık
Poolsodra
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek