matsen
/ˈmɑtsə(n)/
Betekenis
werkwoord
- (inerg) het niet zo nauw te nemen met de regeltjes; de zaken gunstiger voorstellen dan ze zijnAls je matst bij je meting ben je geen goede wetenschapper.
- (ov) iemand onverdiend bevoordelenHij werd duidelijk gematst.Tijdens de lange reeks van jaren, dat hij de voetbalsport als scheidsrechter heeft gediend heeft men eens getracht Kuitenbrouwer om te kopen voor vijf pinten bier. Ergens in de Achterhoek was hem de leiding opgedragen van een wedstrijd. Hij was nog maar nauwelijks binnen de hekken van het sportveld of een paar bestuursleden stevenden op de Deventer referee af. „Kun je ons vandaag niet matsen”, vroeg de een. Vijf zware glazen bier stelde men als loon in het vooruitzicht.
Etymologie
*herkomst onzeker, in de betekenis van ‘iemand een voordeeltje gunnen’ aangetroffen vanaf 1952 (zie vindplaats hieronder)
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek