marren

/ˈmɑrə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. inerg, verouderd (inerg) (verouderd) niet voortgaan, stilstaan, treuzelen
  2. ov, verouderd (ov) (verouderd) tegenhouden, belemmeren
  3. ov, verouderd (ov) (verouderd) wachten, afwachten

Etymologie

*van Middelnederlands "marren", "merren"; cognaat met "mar" "verpesten, bederven" en "merja" "verpletteren"