marmer
onzijdig (het)/mɑremər/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- een fijnkorrelige getransformeerde kalksteen dat gepolijst gebruikt wordt in de bouw- en de beeldhouwkunstHij liet het stuk marmer per ongeluk uit zijn handen vallen.
Etymologie
* Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘kalkgesteente’ voor het eerst aangetroffen in 1240
Vertalingen
Engelsmarble
Fransmarbre
DuitsMarmor
Spaansmármol
Italiaansmarmo
Japans大理石
Turksmermer
Poolsmarmur
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek