markies

mannelijk (de)/mɑrˈkis/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. adel (adel) adellijke titel, lager dan een hertog maar hoger dan een graaf
  2. adel (adel) heer van een markizaat
  3. luifel die beschermt tegen de zon

Etymologie

* Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘adellijke titel’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1350

Vertalingen

Engelsmarquis, marquess
Fransmarquis
DuitsMarquis
Spaansmarqués
Italiaansmarchese
Zweedsmarkis