marcheren
/xxxx/
Betekenis
werkwoord
- (inerg) lopen in een georganiseerde en uniforme ritmische stoetZij hadden al enige uren gemarcheerd.De mannen laten een grote stofwolk achter en marcheren moeizaam de Amsterdamse ochtend tegemoet.
- (erga) ergens heen lopen in een georganiseerde en uniforme ritmische stoetZe waren nog niet over de brug gemarcheerd toen het zwaar begon te hagelen.
Etymologie
*afgeleid van het Franse marcher () [https://fr.wiktionary.org/wiki/marcher Wiktionnaire]
Vertalingen
Engelsmarch, walk
Fransmarcher
Spaansmarchar
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek