manteldieren

/ˈmɑntəlˌdirə(n)/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een onderstam van ongewervelde zeedieren, met een meer of minder soepel exoskelet. Een bekende groep binnen de manteldieren zijn de zakpijpen
    De manteldieren (zakpijpen) en niet de schedellozen (lancetvisjes), vormen de diergroep die het nauwst verwant is aan de gewervelde dieren, waartoe ook de mens behoort.

Etymologie

*"manteldier" met de uitgang -en