maniok

mannelijk (de)/xxxx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. bloemplanten (bloemplanten) verhoutende, overblijvende heester
  2. voeding (voeding) eetbare wortel van

Etymologie

* Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘broodwortel’ voor het eerst aangetroffen in 1596

Vertalingen

Engelscassava, cassava root, manioc
Fransmanioc, racine de manioc
DuitsManiok, Cassave
Spaansmandioca
Italiaansmanioca
Portugeesmandioca
Russischманиок
Chinees木薯
Japansキャッサバ
Koreaans카사바
Arabischبفرة
Turksmanyok
Poolsmaniok
Zweedsmaniok
Deenskassava, cassava, maniok