mango

mannelijk (de)/ˈmɑŋɡo/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. fruit (fruit) soort oranje-groene sappige tropische vrucht
  2. gierzwaluwachtigen (gierzwaluwachtigen) benaming voor kolibri's uit het geslacht

Etymologie

*van """, in de betekenis van ‘vrucht’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1596

Vertalingen

Engelsmango
Fransmangue
Spaansmango
Turksmango, hint kirazı