mango
mannelijk (de)/ˈmɑŋɡo/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (fruit) soort oranje-groene sappige tropische vrucht
- (gierzwaluwachtigen) benaming voor kolibri's uit het geslacht
Etymologie
*van """, in de betekenis van ‘vrucht’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1596
Vertalingen
Engelsmango
Fransmangue
Spaansmango
Turksmango, hint kirazı
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek