manen
/ˈmanə(n)/
Betekenis
werkwoord
- (ov) gebieden iets te doenDe moeder maande haar kinderen de troep op te ruimen.
zelfstandig naamwoord
- ruige beharing op de nek van een leeuw of van een paard
Etymologie
* (erfwoord) via Middelnederlands """ van Oudnederlands "manon", in de betekenis van ‘herinneren aan’ aangetroffen vanaf 701
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek