manco
onzijdig (het)/ˈmɑŋko/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- een tekort of gebrek.
Etymologie
* Leenwoord uit het Italiaans, in de betekenis van ‘gebrek, tekort’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1824
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek
* Leenwoord uit het Italiaans, in de betekenis van ‘gebrek, tekort’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1824