makelarij

vrouwelijk (de)/ˌmakəlaˈrɛi/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. bedrijfstak (bedrijfstak) bemiddeling bij de koop en verkoop van waardevolle goederen, in het spraakgebruik vooral: onroerende zaken
    Misschien toevallig, hoewel wij het anders geloven, hebben beiden een bijzondere aandacht gewijd aan typische stadsbewoners uit die vage middenstandsklasse die het van makelarij en diensten moet hebben.
  2. bedrijf (bedrijf) kantoor dat bemiddelt bij de koop en verkoop van waardevolle goederen, in het spraakgebruik vooral: onroerende zaken
    In 1870 veroorzaakten de zusters een sensatie toen ze een bankierszaak en makelarij begonnen en al snel bekend werden als de ‘Betoverende Bankiers van Wall Street’.

Etymologie

*van Middelnederlands "makelrie"; op te vatten als afgeleid van "makelaar"