macadam

/ˌmakaˈdɑm/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. verkeer (verkeer) type zeer open wegverharding van drie lagen steenslag, in het spraakgebruik ook wel gebruikt voor wegen die met asfalt zijn verhard
    Op weg met zeven renners voor een verkenning van de Hel van het Noorden herinnert Rabobank-ploegleider Theo de Rooy zich een editie van de keienklassieker waarbij Panasonic-ploeggenoten Eric Vanderaerden en Eddy Planckaert niet met “dikke tuinslangen” wilden rijden. “Want die bolden niet op de macadam, de verharde weg”, imiteert De Rooy beide Belgen.

Etymologie

*(eponiem) van "macadam" naar de uitvinder, de 18e-eeuwse Schotse ingenieur in de betekenis van ‘wegverharding’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1838

Vertalingen

Spaansmacadán