maat

/mat/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. (m) kameraad, makker, metgezel, vriend
    Zij maakte er wandelingen met een van mijn collega- psychologen van de praktijk waar ik destijds maat was.
    Hij wilde met zijn maten naar de kroeg, maar zijn vriendin was daar niet zo blij mee.
    In feite is dit misschien een pervers gevolg van de aankondiging van de wapenstilstand. Ze hadden zo veel te verduren gehad dat ze bij de gedachte dat de oorlog zo zou eindigen, met zo veel maten dood en zo veel vijanden in leven, bijna niet konden wachten om een bloedbad aan te richten en er eens en voor al een eind aan te maken. Ze zouden iedereen afslachten. {{Aut|Lemaitre, Pierre
  2. kaartspel (m) (kaartspel) partner
    Hij speelde de slag naar zijn maat toe.
  3. (f)/(m) (gestandaardiseerde) eenheid van lengte, oppervlakte of inhoud
    Om de juiste maat af te meten, gebruik je best een maatbeker.
  4. (f)/(m) juiste afmeting, geschikt formaat
    Software op maat.
    Onze keukenkasten zijn op maat gemaakt om de ruimte optimaal te benutten.
  5. kleding (f)/(m) (kleding) aanduiding van de grootte van een kledingstuk of schoen: een maatje te groot
    Toen ik klein was, kocht mijn moeder mijn kleren altijd een maat te groot.
    Ik wilde mijn Malcolm terug, met zijn lage stem, zijn blauwe ogen en zijn schuiten van voeten maat 44.
    Ze wankelt op haar goudkleurige sandaaltjes maat 36.
  6. muziek (f)/(m) (muziek) manier om een muziekstuk in te delen
    Maar wat verwachtte ik dan? Dat hij zou glimlachen, dat hij de maat zou slaan met zijn vingers, dat hij zou zeggen: 'Dank je wel, mam'? Ik liet de koptelefoon op zijn oren zitten en draaide me om naar mijn vertaling, met mijn laptop op schoot.
    De dirigent wilde graag beginnen bij maat 46.
  7. figuurlijk (figuurlijk) in een bepaald regelmatig tempo; met een bepaalde snelheid
    Toen Olive glimlachte, viel het Teresa op dat Sarahs gelaatstrekken terugkwamen in het gezicht van haar dochter, maar het was net alsof ze even uit de maat hadden gelopen, zodat ze hooguit nog een valse echo vormden.
    Ze had altijd deze stad gekend, die leefde op de maat van het toeristenseizoen en die zich 's winters kouwelijk slapende hield in afwachting van de volgende zomer.

Etymologie

* [6] Leenvertaling van Frans "mesure". In de betekenis van ‘indeling in de muziek’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1644

Uitdrukkingen

  • Jan Rap en zijn maatIedereen, ook mensen die minder in aanmerking komen
  • De maat is vol.Dit is niet langer aanvaardbaar
  • Geen maat houdenOverdrijven, doorschieten in iets
  • Met wat mate gij meet, zal u gemeten worden.[https://www.statenvertaling.net/bijbel/marc/4.html Marcus 4:24 auteur=Statenvertaling Jongbloed, 1888]De manier waarop je anderen behandelt, bepaalt hoe je zelf behandeld zult worden
  • Met twee/meer maten metenVergelijkbare gevallen niet beoordelen aan de hand van dezelfde standaarden, waardoor er geen eerlijk beeld wordt gegeven
  • Met welke maat gij meet, zal u wedergemeten worden.[https://statenvertaling.nl/tekst.php?bb=40&hf=7&ind=1#startg Matteüs 7:2 Statenvertaling Gereformeerde Bijbelstichting, 2004]De manier waarop je anderen behandelt, bepaalt hoe je zelf behandeld zult worden
  • Onder de maatNiet goed genoeg
  • Iemand de maat nemenIemand onterecht een bepaalde norm voorschrijven, terwijl men zelf niet in de positie is om dat te doen

Vertalingen

Engelsbuddy, mate, measure
Franscamarade, copain, pote
DuitsKamerad, Kumpel, Maß
Spaanscompañero, medida, talla