maître d'hôtel

mannelijk (de)/ˌmɛːtrədoˈtɛl/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. beroep (beroep) chef van de bediening in een hotel
    `Hij is de maître d'hôtel, maar hij prefereert de titel van majordomus, omdat het Latijnse woord voor "huis" daarin zit en omdat het volgens hem onze voornaamste taak is ervoor zorg te dragen dat onze gasten vergeten welke plek ze thuis noemden voordat ze hier kwamen.'
    De maître d'hôtel bediende niet, hij zorgde voor de tafelschikking, nam bestellingen op en raadde geschikte wijn aan.