lyricus

mannelijk (de)/ˈliriˌkʏs/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. schrijver die schrijft over persoonlijke gevoelens
    Als literatuurcriticus schrijf je graag over Hermann Broch (1886-1951). Dat komt omdat de grote Oostenrijkse schrijver zo’n hoge dunk had van ons soort mensen. Volgens Broch hebben we een ‘ethisch’ beroep, de echte criticus is een ‘in het leven vooruitgeschoven post van de filosofie’. Aangezien de criticus geen regels deduceert maar ‘met zijn eigen ‘ik’ instaat voor de objectiviteit van zijn oordeel, zou je hem een ‘lyricus van de filosofie’ kunnen noemen. NRC Wil Rouleaux 18 mei 2012 [https://www.nrc.nl/nieuws/2012/05/18/boeken-voor-levensmiddelen-1104331-a1044765 Boeken voor levensmiddelen]
    De Cloe is een enorme lyricus, maar indrukwekkend is bijvoorbeeld ook de monoloog die hij samen met acteur Matthijs van de Sande Bakhuyzen schreef, waarin een jonge man een telefoongesprek voert met zijn overleden vader. NRC 5 oktober 2011 [https://www.nrc.nl/nieuws/2011/10/05/nieuw-op-dvd-12038481-a1343906 nieuw op dvd]

Etymologie

* afleiding van lyriek