lummel

mannelijk (de)/ˈlʏməl/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. scheldwoord (scheldwoord) vervelend, lomp of onbeholpen persoon, meestal een jongen of man
    Wat ben jij een lummel!
  2. scheepvaart (scheepvaart) draaibare verbinding van de giek of laadboom aan de mast
    De boot heeft de lummel op de roestvrijstalen mastwangen in plaats van op de mast.[https://books.google.nl/books?id=4R--AAAAQBAJ&pg=PT231&dq=lummel+giek+mast&hl=nl&sa=X&ved=0ahUKEwiDjcOK0rLdAhWOKlAKHd7UBecQ6AEIOjADv=onepage&q=lummel%20giek%20mast&f=false Rond de Friese Zee: zeilverhalen en scheepshistorie voor kustzeilers], H. Vandersmissen, 2015
  3. beeldhouwkunst, gereedschap (beeldhouwkunst), (gereedschap) gereedschap van beeldhouwers bij het gieten van brons
    Op zijn bagagedrager was een tas gebonden, waarin zich een kleine grafietpot bevond, goed voor het smelten van brons, een tang om de kroes vast te pakken en een ‘lummel’, die gebruikt wordt bij het uitgieten van brons. Waarom een scheldwoord nodig is als betiteling van een uiterst dienstig instrument is mij niet bekend.

Etymologie

*[1] mogelijk van "lummel" of "Lümmel" "lomperik", in de betekenis van ‘onhandige vent’ aangetroffen vanaf 1700