luifel

mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈlœyfəl/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. bouwkunde (bouwkunde) afdak dat met de ene horizontale kant aan de buitenzijde van een gebouw is bevestigd, terwijl de daartegenoverliggende zijde vrij dragend is
    De luifel geeft bescherming tegen regen en felle zonneschijn.
    Iedereen was altijd dolblij om op een van zijn klapstoelen onder zijn luifel uit te rusten.
  2. kamperen (kamperen) overkapping of doek aan de voorzijde van een tent [1] om extra beschutting te bieden
  3. hoofddeksel (hoofddeksel) veelal kapvormig, naar voren uitstekend deel van bijv. een hoed
  4. informeel, anatomie (informeel), (anatomie) neus [1]

Etymologie

*(erfwoord): Met suffixsubstitutie uit Vroegnieuwnederlands "luifen", gevormd uit "luif" (nog in Antwerps en Limburgs), uit Middelnederlands "loive", "loeyfe", oostelijke bijvorm van klankwettig lōve ‘eenvoudig gebouwtje, keet; overdekte uitbouw’ (waaruit streektaal loove, loofe ‘luifel, loods, galerij, binnenplaats, grafelijk kasteel in Brugge’). Gaat terug op Oergermaans *laub-jō- ‘bladerdak, gebladerte’, afleiding van *lauba- ‘blad’; waarvoor zie loof. Evenzo Nederduits "Lööv" ‘afdak; tuinhuisje’ en Duits "Laube" ‘prieel, galerij’.