los

mannelijk (de)/lɔs/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. roofdieren (roofdieren) bepaald soort zoogdier, , een katachtige met een korte staart

Etymologie

#niet stijf, vlot, ongedwongen, ongegeneerd

Uitdrukkingen

  • Als los zand aan elkaar hangenzaken die niets met elkaar te maken hebben die samengebracht worden
  • De beer is los
  • Een steekje aan los zijniets klopt er niet aan
  • Er zit bij hem een steekje losdie is niet helemaal goed bij zijn hoofd
  • Op losse schroeven staanhelemaal niets zeker zijn