loopdag
mannelijk (de)/ˈlobdɑx/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- dag dat men looptWat een hitte! Voor wandelaars was deze eerste loopdag behoorlijk zwoegen. Sommige deelnemers vonden dat ze onderweg te weinig water kregen. Hopelijk gaat het morgen beter met de watervoorziening. Tubantia A. de Bruijn 18 juli 2017 [https://www.tubantia.nl/vierdaagse/vierdaagsejournaal-hitte-en-pechvogels-op-dag-van-elst~aebd40e8/ Vierdaagsejournaal: hitte en pechvogels op Dag van Elst]Ze doet volgend jaar zeker weer mee aan de loopdag van de stichting Wandelnet, maar pakt in de tussentijd wel weer de fiets. "Ik liep nu door woonwijken, maar ik heb toch liever bos en hei." Tubantia L. van Wijk 5 april 2018 [https://www.tubantia.nl/binnenland/trainen-voor-rokjesdag-en-bijna-in-de-sloot-waaien-zij-liepen-naar-hun-werk~a39cd9fb/ Trainen voor rokjesdag en bijna in de sloot waaien: zij liepen naar hun werk]
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek