loochenen
/'lo.xənə(n)/
Betekenis
werkwoord
- (ov), (formeel) iets tot een leugen verklarenHij loochende dat hij iets met de zaak te maken had.Van Aristoteles (384—322), den universeelen en tevens nuchteren man der wetenschap, werd, [...] verzekerd, dat hij de realiteit der magie loochende.{{Aut|Jong, K.H.E. de
Etymologie
* In de betekenis van ‘ontkennen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1240
Vertalingen
Engelsdeny
Fransnier
Duitsleugnen
Spaansnegar
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek