lolbroek
mannelijk (de)/'lɔlbruk/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- iemand die graag (al of niet geslaagde) grappen uithaaltWat een lolbroek is hij toch.
Etymologie
* In de betekenis van ‘grapjas’ voor het eerst aangetroffen in 1976
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek