loer
onzijdig (het)/lur/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- lokaas, lokmiddel; vooral gebruikt voor een namaakprooi in de valkerij
zelfstandig naamwoord
- (pejoratief) dom of onhandig persoon
- (pejoratief) gemeen of listig persoon
- waakzame houding waarbij voortdurend wordt gekeken of actie nodig is
- misleiding, bedrog, grap
Etymologie
*[werkwoord] loeren zonder de uitgang -en
Uitdrukkingen
- [3] op de loer liggen — van iets naars dat het gereed is om zomaar te gebeuren
- [4] iemand een loer draaien — iemand lelijk behandelen, lelijk te grazen nemen; iemand vernachelen, iemand beetnemen; iemand bedriegen
Vertalingen
Engelslurk
Fransêtre tapi, être à l'affût
Duitslauern
Spaansestar al acecho
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek