litteken
onzijdig (het)/ˈlɪtekə(n)/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- zichtbaar overblijfsel van een oude verwondingDie inenting heeft een akelig litteken achtergelaten.Hij had een vertederend gezicht. Bij de Somme was zijn rechterslaap door een kogel geschramd. Hij was heel bang geweest, maar was ervanaf gekomen met een litteken dat zijn oog een beetje scheeftrok en hem iets speciaals gaf. {{Aut|Lemaitre, Pierre„Sommige gezichten zijn nieuw, met anderen is het een weerzien,” vertelt de burgemeester. Als wethouder was hij in 2001 verantwoordelijk voor de wederopbouw van de Enschedese wijk. Nu is hij terug als burgervader. Hij kent het verhaal, hij kent het litteken. De mensen vertrekken bij het monument. Het is weer stil in Roombeek.
Etymologie
*van Middelnederlands "lijctekijn", op te vatten als met assimilatie -kt- > -tt-, in de betekenis van ‘teken van een wond’ aangetroffen vanaf 1253
Vertalingen
Engelssolidify, scar
Franscicatrice, balafre
DuitsNarbe
Spaanscicatriz
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek