lip

mannelijk (de)/lɪp/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. anatomie (anatomie) elk van beide vlezige uitstekels van de mondopening
    Hij buigt voor haar, en zij maakt een reverence en bijt op haar lip tot de smaak van bloed haar eraan herinnert dat ze rustig moet blijven.
    Hij buigt voor haar, en zij maakt een reverence en bijt op haar lip tot de smaak van bloed haar eraan herinnert dat ze rustig moet blijven.
  2. dat wat door vorm, functie of plaatsing gelijkenis met een lip heeft

Etymologie

* In de betekenis van ‘rand van mondopening’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1100

Uitdrukkingen

  • Aan iemands lippen hangenBijzonder aandachtig naar iemand luisteren
  • Het water komt [hem/haar, ....] tot aan de lippenDe nood is bijna te hoog gestegen voor diegene
  • Op elkaars lip zitten(Te) dicht bij elkaar zitten
  • Op iedereens lippen liggenAlgemeen onderwerp van gesprek zijn
  • Tussen neus en lippen [door]In een onbewaakt/verloren moment

Vertalingen

Engelslip
Franslèvre
DuitsLippe, Lefze
Spaanslabio
Italiaanslabbro
Russischгуба
Chinees嘴, 嘴唇
Arabischشّفة
Turksdudak
Zweedsläpp