linkerpols

mannelijk (de)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. anatomie (anatomie) het gewricht tussen de hand en de onderarm aan de linkerkant van het lichaam
    Haar linkerpols bloedde: daar waar haar schakelbandhorloge door het lipje van de fietsbel los was gehaald.
    Hij liep daarbij een gecompliceerde breuk in zijn linkerpols op en moest de strijd staken. "Ik heb daar nog wel regelmatig last van. Niet op de fiets, maar in het dagelijks leven soms."