linkerhand

mannelijk/vrouwelijk (de)/xxxx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. anatomie (anatomie) de hand aan die zijde van het lichaam waar gewoonlijk het hart zit
    Hij schrijft met zijn linkerhand.
    Toen was het mijn beurt en ik bond een steen aan een lang stuk touw, hield de grote lussen in mijn linkerhand, gaf een harde slinger en liet los.
  2. metafoor voor onhandigheid
    Oh, die heeft twee linkerhanden.
  3. een (tweede) assistent van een persoon.

Etymologie

* Samenstelling van linker (links ) en hand

Vertalingen

Spaansmano zurda, mano izquierda