likdoorn

mannelijk (de)/ˈlɪɡdorᵊn/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. medisch (medisch) pijnlijke eeltige verdikking, meestal op een teen of ander deel van de voet
    De pedicure bevrijdde haar opnieuw van die pijnlijke likdoorn op haar teen.
    Ik voel het aan mijn eksteroog, zeiden mensen vroeger als er vrieskou op komst was – de likdoorn op hun voetzool speelde dan op.

Etymologie

*van Middelnederlands "lijcdorn", in de betekenis van ‘eksteroog’ voor het eerst aangetroffen in 1301, op te vatten als samengesteld uit lijk in de oude betekenis "lichaam" en doorn "iets wat steekt"

Vertalingen

Engelscorn
Franscor
DuitsHühnerauge
Chinees雞眼
Poolsnagniotek
Deensligtorn