lidmaat
/ˈlɪtmat/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- iemand die lid is van een organisatie, voornamelijk een kerkDe kerk heeft een bescheiden aantal lidmaten gewonnen.
zelfstandig naamwoord
- (anatomie) ledemaat
Etymologie
* In de betekenis van ‘lid van een protestants kerkgenootschap’ voor het eerst aangetroffen in 1648
Vertalingen
Engelsmember, acolyte
Fransmembre
DuitsMitglied
Spaansmiembro, partidario
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek