lidkaart

mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈlɪtkart/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. klein rechthoekig document van stevig materiaal waarmee iemand kan aantonen dat hij bij een organisatie hoort
    Ze werden heel boos toen ze op mijn identiteitskaart zagen dat ik christen ben, en helemaal toen ze mijn lidkaart vonden van de socialistische volkspartij.

Etymologie

*, leenvertaling van "car­te de membstere"