libertijn
mannelijk (de)/ˌlibɛrˈtɛin/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (persoon) (filosofie) iemand met een levensfilosofie die absolute individuele vrijheid voorstaatHet luidste applaus klonk toen de als libertijn bekendstaande Paul zei: „We hebben geen behoefte aan oorlog in Syrië en we hebben geen behoefte aan oorlog in Iran.”Voldoende is het vast te stellen, dat men in de 16e en 17e eeuw de naam libertijn geeft aan een bepaald soort vrijgeesten, humanistisch-gezinde intellectuelen die volgens hun tegenstanders ook in moreel opzicht tot losbandigheid geneigd zouden zijn.
- (persoon) (pejoratief) iemand die zich losbandig gedraagtHet vreemde is namelijk dat het Tomas niet alleen om het seksuele te doen is, of helemaal niet zelfs: ‘Dus niet het verlangen naar genot (het genot was daarbij een meevaller) maar het verlangen greep op de wereld te krijgen (het lichaam van de wereld met zijn scalpel open te rijten) dreef hem naar vrouwen.’ - Het enige dat al zijn escapades zin lijkt te geven, blijkt opeens een bijzaak te zijn (mooi meegenomen). Spreekt hier een afgematte libertijn of een strever naar het hogere?
Etymologie
*via van Latijn "libertinus" "vrijgelatene"; in de betekenis van ‘vrijdenker’ aangetroffen vanaf 1567
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek